ECLI:NL:RVS:2019:441
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- H.G. Lubberdink
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vaststelling geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan vernietigd wegens procedurele fouten
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 3 april 2017 de aanvraag van de vreemdeling om een document dat duurzaam verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan bevestigt af en stelde vast dat zij geen rechtmatig verblijf als zodanig had gehad. De vreemdeling maakte bezwaar tegen deze besluiten, die op 13 juni 2017 ongegrond werden verklaard. De rechtbank verklaarde de beroepen van de vreemdeling op 3 april 2018 eveneens ongegrond.
De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze oordeelde dat de rechtbank ten onrechte geen belangenafweging had gemaakt bij de vaststelling dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf had. De Afdeling vernietigde daarom het besluit van 13 juni 2017 waarin de staatssecretaris het ontbreken van rechtmatig verblijf vaststelde, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond en bevestigde het overige van de uitspraak van de rechtbank.
De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, inclusief het betaalde griffierecht. De Afdeling bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: Het besluit dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan had, is vernietigd en de staatssecretaris is veroordeeld tot proceskostenvergoeding.