ECLI:NL:RVS:2019:4382
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- E. Steendijk
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf voor nareis gezinshereniging
De vreemdelingen dienden aanvragen in voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis voor gezinshereniging met hun zoon, die bij aanvraag minderjarig was maar bij verlening meerderjarig werd. De staatssecretaris wees de aanvragen af omdat zij niet binnen drie maanden na verlening van de verblijfsvergunning waren ingediend, conform het toen geldende beleid en artikel 4:6 Awb Pro.
Na het arrest van het Hof van Justitie van 12 april 2018 (A. en S.) werd duidelijk dat de termijn van drie maanden een richtlijn is en dat lidstaten ook buiten die termijn een meerderjarige als minderjarig kunnen aanmerken voor nareis. De rechtbank had geoordeeld dat de staatssecretaris terecht het besluit handhaafde, maar de Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de driemaandentermijn absoluut is.
De Raad stelt dat de staatssecretaris moet motiveren waarom de aanvraag niet binnen een redelijke termijn is ingediend, mede gezien het gewijzigde beleid en het feit dat de vreemdelingen vanaf januari 2016 meerdere keren hun gezinshereniging kenbaar maakten. De eerdere rechtsgeldigheid van het besluit waarbij de zoon als meerderjarig werd aangemerkt, is onvoldoende om het huidige besluit te handhaven.
Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het bezwaarbesluit worden vernietigd. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €512,00.
Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd en de proceskosten worden vergoed.