ECLI:NL:RVS:2019:4372
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening opschorting intrekking Nederlanderschap
Bij besluit van 28 september 2017 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het Nederlanderschap van verzoekster ingetrokken. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt, dat ongegrond werd verklaard, en vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, dat eveneens ongegrond werd verklaard. Verzoekster stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om de rechtsgevolgen van de intrekking op te schorten.
De intrekking van het Nederlanderschap leidt ertoe dat verzoekster haar paspoort verliest, niet meer kan voldoen aan de legitimatieplicht, haar recht op voorzieningen zoals pensioenuitkering verliest, en het risico loopt op vreemdelingenbewaring en uitzetting. De staatssecretaris betwist deze belangen niet, maar stelt dat het verlies van inkomen onvermijdelijk is en onvoldoende voor opschorting.
De voorzieningenrechter overweegt dat de intrekking gedurende bezwaar en beroep reeds was geschorst en dat het niet aannemelijk is dat de rechtsgevolgen direct moeten ingaan. Gezien de belangen van verzoekster en het feit dat de Afdeling het hoger beroep spoedig zal behandelen, wordt de voorlopige voorziening toegewezen.
De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. De intrekking van het Nederlanderschap wordt geschorst totdat op het hoger beroep is beslist.
Uitkomst: De intrekking van het Nederlanderschap wordt bij voorlopige voorziening geschorst totdat op het hoger beroep is beslist.