ECLI:NL:RVS:2019:430
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering verbeurde dwangsommen wegens niet verwijderen bijgebouwen
Bij besluit van 21 januari 2016 legde het college aan appellant een last onder dwangsom op om twee bijgebouwen te verwijderen, met een dwangsom van €15.000 per week per gebouw, maximaal €90.000. De termijn werd verlengd tot 3 juni 2016. Appellant verwijderde de bijgebouwen niet tijdig, waarna het college het maximale bedrag aan dwangsommen invorderde.
Appellant voerde aan dat het dwangsombesluit was ingetrokken en dat hij binnen een week na afloop van de begunstigingstermijn aan de last had voldaan, waardoor geen dwangsommen waren verbeurd. De Afdeling oordeelde echter dat het dwangsombesluit niet was ingetrokken, de brief van 7 maart 2016 een wijziging van de termijn betrof en dat de verlengingen na 3 juni 2016 geen formele verlenging van de begunstigingstermijn inhielden.
Verder stelde appellant dat de planologische toetsing onjuist was en dat het bedrag van €90.000 willekeurig was vastgesteld. Deze gronden werden buiten beschouwing gelaten omdat zij niet eerder waren aangevoerd. De Afdeling bevestigde dat het college bevoegd was het maximale bedrag in te vorderen en dat het niet tijdig voldoen aan de last geen reden was om af te zien van invordering.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de invordering van €90.000 aan dwangsommen bevestigd.