ECLI:NL:RVS:2019:4157
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening voorschot huurtoeslag na huurverlaging met wederzijdse goedkeuring
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg die het beroep ongegrond verklaarde tegen de herziening van het voorschot huurtoeslag over 2017. De Belastingdienst had het voorschot verlaagd van €3.557 naar €96, later herzien naar €180 op basis van een verlaagde rekenhuur van €238,40 per maand, vanwege vochtproblemen in de woning en een met terugwerkende kracht overeengekomen huurverlaging door de verhuurder.
De rechtbank oordeelde dat de Belastingdienst terecht rekening hield met deze huurverlaging zonder dat advies van de huurcommissie was gevraagd, omdat sprake was van een zakelijke verhuurder en wederzijdse goedkeuring. Appellant stelde dat de feitelijk betaalde huurprijs leidend moest zijn en dat zonder huurcommissieadvies geen afwijking mogelijk was.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat de rekenhuur volgens artikel 5 Wht Pro de verschuldigde huurprijs is, tenzij de huurcommissie een advies geeft. Hier was de huurprijs met terugwerkende kracht verlaagd met wederzijdse instemming, waardoor geen advies nodig was. De hogere betaalde huur in de eerste maanden was onverschuldigd en verrekend. Het hoger beroep faalt en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 11 december 2019.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.