ECLI:NL:RVS:2019:4150
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring ondanks medische en sociale omstandigheden
Appellant diende een aanvraag in voor een urgentieverklaring bij het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard, die aanvankelijk buiten behandeling werd gelaten en later werd afgewezen omdat appellant niet voldeed aan de criteria van de Huisvestingsverordening, zoals het ontbreken van zelfstandige woonruimte in de voorafgaande twaalf maanden en onvoldoende binding met de regio.
De rechtbank vernietigde het besluit op bezwaar wegens onvoldoende motivering door het college, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en voerde aan dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat hij niet voldeed aan de medische en sociale indicaties die een urgentieverklaring rechtvaardigen.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank een juiste uitleg gaf aan artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingsverordening en dat appellant zijn woning niet heeft verlaten vanwege een medische of sociale indicatie, maar vanwege een echtscheiding. Ook is de hardheidsclausule terecht niet toegepast omdat de situatie van appellant geen onbillijkheid van overwegende aard oplevert.
De Raad van State bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen strijd met het EVRM of het IVRK vastgesteld en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De afwijzing van de urgentieverklaring wordt bevestigd omdat appellant niet voldoet aan de criteria van de Huisvestingsverordening.