ECLI:NL:RVS:2019:4038

Raad van State

Datum uitspraak
29 november 2019
Publicatiedatum
29 november 2019
Zaaknummer
201901379/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • E. Steendijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:19 AwbArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen

Bij besluit van 16 februari 2017 wees de staatssecretaris een aanvraag van vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt, dat op 9 oktober 2017 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen op 29 januari 2019 gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen.

De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bij besluit van 12 september 2019 verklaarde de staatssecretaris het bezwaar opnieuw ongegrond. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen gronden bevatte die beantwoording behoefden in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling en verklaarde het hoger beroep ongegrond.

De Afdeling bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en verwees het beroep tegen het besluit van 12 september 2019 terug naar de rechtbank voor verdere behandeling. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdelingen en werd een griffierecht opgelegd.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris ongegrond.

Uitspraak

201901379/1/V1.
Datum uitspraak: 29 november 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 29 januari 2019 in zaak nr. 17/15507 in het geding tussen:
[vreemdeling 1], [vreemdeling 2] en [vreemdeling 3]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 16 februari 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 9 oktober 2017 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 januari 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. S.J. Koolen, advocaat te Utrecht, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 12 september 2019 heeft de staatssecretaris het door de vreemdelingen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Overwegingen
1.    Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
3.    De staatssecretaris heeft het besluit van 12 september 2019 genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling verwijst het beroep naar de rechtbank om door haar te worden behandeld (artikel 6:19, eerste en vijfde lid van de Awb). De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.    verwijst het beroep tegen het besluit van 12 september 2019, V-nummers […], […] en […] ter behandeling naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht;
III.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IV.    bepaalt dat van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een griffierecht van € 519,00 (zegge: vijfhonderdnegentien euro) wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.
w.g. Steendijk    w.g. Schuurman
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 november 2019
282-941.