ECLI:NL:RVS:2019:3708
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.T.J.M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit plaatsing ondergrondse restafvalcontainer wegens onvoldoende motivering
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 6 november 2019 het beroep van appellant tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Arnhem over de plaatsing van een ondergrondse restafvalcontainer (orac) gegrond verklaard en het besluit vernietigd wegens strijd met het motiveringsvereiste van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
In een eerdere tussenuitspraak van 24 juli 2019 was het college opgedragen het besluit alsnog toereikend te motiveren of een ander besluit te nemen. Het college heeft vervolgens een nadere motivering gegeven waarin het stelde dat de alternatieve locatie voor de orac, ondanks enkele voordelen, niet aantoonbaar beter is dan de aangewezen locatie vanwege onder meer de afstand tot een speelplek, de afvoer van hemelwater, de aanwezigheid van zandgrond en de zichtbaarheid.
Appellant voerde aan dat het college onjuist had gerekend met de afstand tot de speelplek, de bereikbaarheid bij regenval en de kosten voor maatregelen onvoldoende had gespecificeerd. De Afdeling oordeelde dat het college binnen zijn beleidsruimte redelijkerwijs de aangewezen locatie geschikt kon achten en dat de alternatieve locatie niet zodanig geschikter was dat het college niet in redelijkheid voor de aangewezen locatie had kunnen kiezen.
De Afdeling vernietigde het besluit vanwege onvoldoende motivering, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het besluit van het college over de plaatsing van de ondergrondse restafvalcontainer wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.