ECLI:NL:RVS:2019:3573
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- G.M.H. Hoogvliet
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen aanwijzing eigenaar als saneringsplichtige bij ernstige bodemverontreiniging
Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant stelde bij besluit van 27 augustus 2018 vast dat op het perceel te Hapert sprake is van ernstige bodemverontreiniging met 1,1-dichlooretheen, afgeleid van 1,1,1-trichloorethaan, en dat spoedige sanering noodzakelijk is. Hapert B.V., eigenaar van het perceel, werd aangewezen als verantwoordelijke voor het saneringsplan en de uitvoering daarvan.
Hapert B.V. voerde aan dat het college niet had aangetoond dat haar perceel het bronperceel is en dat sprake is van één geval van verontreiniging. Ook stelde zij dat de omvang van de verontreiniging onvoldoende was vastgesteld en dat zij niet saneringsplichtig kon worden gehouden omdat het perceel geen bedrijfsterrein zou zijn.
De Afdeling oordeelde dat het college voldoende technische, organisatorische en ruimtelijke samenhang had aangetoond en dat het perceel terecht als bronperceel was aangemerkt. De omvang van de verontreiniging was voldoende afgebakend om ernst en spoed vast te stellen. Tevens was het perceel een bedrijfsterrein waarop bedrijfsactiviteiten werden verricht, waardoor Hapert B.V. op grond van de Wet bodembescherming verplicht is tot sanering.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van Hapert B.V. tegen de aanwijzing als saneringsplichtige wordt ongegrond verklaard.