ECLI:NL:RVS:2019:3498
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Helder
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over niet-ontvankelijkheid bezwaar kinderopvangtoeslag 2013
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de definitieve vaststelling van haar kinderopvangtoeslag over 2013 door de Belastingdienst/Toeslagen, die deze toeslag op nihil heeft vastgesteld omdat zij niet heeft aangetoond welke kosten zij heeft gemaakt en voldaan. Na een eerdere niet-ontvankelijkverklaring van bezwaar wegens te late indiening, heeft appellante een verzoek tot herziening ingediend. De Belastingdienst stuurde op 6 januari 2017 een brief waarin zij aangaf dat de toeslag opnieuw definitief op nihil was vastgesteld.
De rechtbank oordeelde dat deze brief geen nieuw besluit was, maar een herhaling van het eerdere besluit van 29 mei 2015, en verklaarde het bezwaar tegen de brief niet-ontvankelijk. Appellante stelde dat de brief wel een besluit was en dat sprake was van schending van het vertrouwensbeginsel omdat haar was medegedeeld dat een nieuwe beslissing zou volgen.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat een herhaald besluit slechts een besluit is als het nieuwe rechtsgevolgen creëert, wat hier niet het geval was. De brief van 6 januari 2017 was geen reactie op het herzieningsverzoek, waarop pas in maart 2018 werd beslist. De grondslag van de nihilstelling was ongewijzigd gebleven. Daarom is de brief geen besluit in de zin van de Awb en staat bezwaar daartegen niet open.
Ook het beroep van appellante op vergoeding van kosten in de bezwaarfase faalde, omdat alleen kosten vergoed kunnen worden indien het primaire besluit wordt herroepen wegens onrechtmatigheid, wat hier niet aan de orde was. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.