ECLI:NL:RVS:2019:347
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens misbruik Wob-verzoek inzake verkeersboete
De zaak betreft een hoger beroep van de minister van Justitie en Veiligheid tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland die het beroep van een verzoeker tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een Wob-verzoek gegrond verklaarde. Het Wob-verzoek betrof documenten over een aan de verzoeker opgelegde verkeersboete. De rechtbank had de minister opgedragen alsnog binnen twee weken een besluit te nemen en een dwangsom opgelegd.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het verzoek terecht als een Wob-verzoek is aangemerkt, maar dat het verzoek misbruik van bevoegdheid inhoudt omdat het uitsluitend diende om informatie te verkrijgen ten behoeve van het aanvechten van de verkeersboete, waarvoor andere rechtsmiddelen bestaan. Het verzoek strekt niet tot bevordering van een goede en democratische bestuursvoering en het openbaar maken van de informatie via de Wob kan de privacy schenden.
De Afdeling stelt dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het Wob-verzoek daarom niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard wegens misbruik van bevoegdheid. Ook het beroep tegen het besluit van de minister dat het verzoek afwees wordt niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard.
Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De Afdeling benadrukt dat tegen de verkeersboete andere procedures openstaan waarin informatie kan worden verkregen en dat het recht op toegang tot de rechter niet wordt ontzegd door de niet-ontvankelijkverklaring.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het Wob-verzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van bevoegdheid.