AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging afwijzing verzoek verblijfsvergunning asiel en afwijzing voorlopige voorziening tegen overdracht aan Italië
Bij besluiten van 5 juli 2019 heeft de staatssecretaris de aanvragen van de vreemdelingen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen. De vreemdelingen stelden hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 17 september 2019 deze beroepen ongegrond verklaarde. De vreemdelingen gingen hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzochten tevens om een voorlopige voorziening.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het hoger beroep kennelijk ongegrond is omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin dienen. Daarom werd de uitspraak van de rechtbank bevestigd en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Daarnaast was er een verzoek om een voorlopige voorziening tegen de feitelijke overdracht van de vreemdelingen aan Italië. De voorzieningenrechter van de Afdeling was exclusief bevoegd dit verzoek te behandelen en oordeelde dat er geen grond bestaat om de rechtmatigheid van de overdracht in twijfel te trekken. Het verzoek werd daarom eveneens afgewezen. De staatssecretaris werd niet veroordeeld tot proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het hoger beroep is kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening tegen overdracht aan Italië is afgewezen.
Uitspraak
201907137/1/V1 en 201907137/2/V1.
Datum uitspraak: 10 oktober 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 vanPro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), op het hoger beroep van:
[de vreemdelingen], mede voor haar minderjarige kinderen,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 17 september 2019 in zaken nrs. NL19.15659 en NL19.15661 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 5 juli 2019 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 17 september 2019 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. M. Grigorjan, advocaat te 's-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.
Voorts hebben de vreemdelingen de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Daarnaast hebben de vreemdelingen bezwaar gemaakt tegen hun feitelijke overdracht en de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek heeft de griffier van de rechtbank ter behandeling aan de voorzieningenrechter van de Afdeling doorgezonden.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
3. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening dat samenhangt met het bezwaar tegen de feitelijke overdracht is bij de voorzieningenrechter van de rechtbank ingediend, terwijl bij de Afdeling hoger beroep is ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 17 september 2019. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van de Afdeling, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2788, bij uitsluiting bevoegd om het bij de rechtbank ingediende verzoek in behandeling te nemen en staat tegen de feitelijke overdracht geen bezwaar open.
Het door de vreemdelingen gemaakte bezwaar tegen de feitelijke overdracht en het bij de rechtbank ingediende verzoek worden aangemerkt als een aanvulling op het bij de voorzieningenrechter van de Afdeling ingediende verzoek.
4. Het verzoek is erop gericht te voorkomen dat de vreemdelingen op 11 oktober 2019 worden overgedragen aan Italië.
5. Gelet op wat hiervoor onder 1 is overwogen, wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er bestaat namelijk geen grond voor het oordeel dat niet van de rechtmatigheid van de overdracht en de wijze waarop deze wordt geëffectueerd kan worden uitgegaan.
6. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, griffier.