ECLI:NL:RVS:2019:3016
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake invordering dwangsommen recreatieobject te Epe
Het college van burgemeester en wethouders van Epe legde aan appellante een last onder dwangsom op vanwege het gebruik van een recreatieobject als hoofdverblijf, wat niet was toegestaan. Vervolgens werden meerdere dwangsommen ingevorderd wegens overtreding van deze last. Appellante maakte bezwaar tegen deze invorderingen, maar deze werden ongegrond verklaard door het college en de rechtbank.
In hoger beroep betoogde appellante onder meer dat het controlerapport waarop de invordering van de eerste dwangsom was gebaseerd niet voldeed aan de vereisten, onder andere vanwege onduidelijkheid over de taal van communicatie met aanwezige personen en het ontbreken van een handtekening. De Afdeling oordeelde dat het college aannemelijk had gemaakt dat communicatie mogelijk was en dat het rapport voldoende herleidbaar was, waardoor het betoog faalde.
Verder stelde appellante dat zij in de procedure tegen de invorderingsbesluiten ook gronden mocht aanvoeren die betrekking hadden op de rechtmatigheid van de last onder dwangsom zelf, zoals disproportionaliteit en selectieve handhaving. De Afdeling verwierp dit standpunt, verwijzend naar vaste jurisprudentie dat dergelijke gronden slechts in uitzonderlijke gevallen in deze procedure kunnen worden ingebracht, wat hier niet aan de orde was.
Appellante trok een betoog over het gebruik van controles na 24 april 2017 in als onderbouwing voor het besluit van 29 augustus 2017 in. De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.