AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vaststelling ongegrondheid van beroepen tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvragen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 31 mei 2019 besluiten genomen waarbij aanvragen van vreemdelingen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verkrijgen, niet-ontvankelijk zijn verklaard. De vreemdelingen hebben tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 17 december 2018 de beroepen gegrond verklaarde en de besluiten vernietigde. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, terwijl de vreemdelingen incidenteel hoger beroep instelden.
De Afdeling heeft het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaard en het incidenteel hoger beroep van de vreemdelingen ongegrond. De Raad van State oordeelde dat de situatie in Bulgarije voor statushouders niet zodanig slecht is dat sprake is van een schending van artikel 3 EVRMPro, hetgeen relevant was voor de beoordeling van de asielaanvragen. Hierdoor werd het vonnis van de rechtbank vernietigd en werden de beroepen van de vreemdelingen alsnog ongegrond verklaard.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de staatssecretaris niet verplicht tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer, waarbij mr. A.W.M. Bijloos als lid en mr. H. Vonk als griffier aanwezig waren. De uitspraak werd in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2019.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het hoger beroep van de vreemdelingen ongegrond, en de beroepen tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvragen worden ongegrond verklaard.
Uitspraak
201810397/1/V3.
Datum uitspraak: 28 augustus 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1. de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
2. [vreemdeling 1] en [veemdeling 2], mede voor hun minderjarige kinderen,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 17 december 2018 in zaken nrs. NL18.10327 en NL18.10329 in het geding tussen:
de vreemdelingen,
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluiten van 31 mei 2019 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 17 december 2018 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. P.A. Blaas, advocaat te 's-Hertogenbosch, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
In het hoger beroep van de staatssecretaris
1. Wat in de eerste grief is aangevoerd leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, hierna: de Vw 2000).
2. De in de tweede grief opgeworpen rechtsvraag over of de vreemdelingen als statushouders bij terugkeer naar Bulgarije in een situatie strijdig met artikel 3 vanPro het EVRM terecht zullen komen, heeft de Afdeling bij uitspraak van 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1793, beantwoord. Uit die uitspraak volgt dat de situatie in Bulgarije voor statushouders niet zo slecht is dat sprake is van een met artikel 3 vanPro het EVRM strijdige situatie. Die overwegingen zijn hier ook van toepassing, zodat de grief slaagt.
In het hoger beroep van de vreemdelingen
3. Wat in het incidenteel hoger beroep is aangevoerd leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
Conclusie
4. Het hoger beroep van de staatsecretaris is kennelijk gegrond en het hoger beroep van de vreemdelingen is kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen van de vreemdelingen tegen de besluiten van 31 mei 2019 alsnog ongegrond verklaren. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid gegrond;
II. verklaart het hoger beroep van de vreemdelingen ongegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 17 december 2018 in zaken nrs. NL18.10327 en NL18.10329;
IV. verklaart de door de vreemdelingen bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroepen ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, griffier.