AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging rechtmatigheid vrijheidsontnemende maatregel bij asielprocedure aan grens
Bij besluit van 13 november 2018 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd gedurende de behandeling van zijn asielverzoek in de grensprocedure. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De kern van het geschil betrof de vraag of de vrijheidsontneming in overeenstemming is met artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 6 vanPro het EU Handvest. De vreemdeling stelde dat op grond van het arrest Gnandi van het Hof van Justitie toegang tot Nederland moet worden verleend na afwijzing van het asielverzoek, waardoor vrijheidsontneming niet gerechtvaardigd zou zijn.
De Afdeling overwoog dat de maatregel haar grondslag vindt in artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en voldoet aan de voorwaarden van de Opvangrichtlijn. Niet elk asielverzoek aan de grens leidt tot toegang tot Nederland; bij intrekking van het verzoek wordt toegang geweigerd en kan een vrijheidsbeperkende maatregel worden opgelegd. De maatregel is niet willekeurig en heeft als doel de toegang te reguleren.
De grief van de vreemdeling faalt en het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en de staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel tijdens de grensprocedure is rechtmatig en het hoger beroep wordt afgewezen.
Uitspraak
201810160/1/V3.
Datum uitspraak: 28 augustus 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 17 december 2018 in zaak nr. NL18.21924 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 13 november 2018 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 17 december 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. P.A. Blaas, advocaat te 's-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris en de vreemdeling hebben een nadere reactie gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De vreemdeling klaagt in zijn grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vrijheidsontneming van asielzoekers voor de duur van de behandeling van het asielverzoek in de grensprocedure rechtmatig is. Daarover voert hij aan dat de rechtbank heeft miskend dat uit het arrest van het Hof van Justitie van 19 juni 2018, Gnandi, ECLI:EU:C:2018:465, volgt dat hem na de afwijzing van zijn asielverzoek toegang tot Nederland moet worden verleend. Gelet hierop kan niet worden aanvaard dat hem voor de duur van het onderzoek naar dit verzoek in de grensprocedure wel de vrijheid mag worden ontnomen. Dit is volgens de vreemdeling in strijd met artikel 5 vanPro het EVRM.
2. In de uitspraak van 5 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1710, heeft de Afdeling overwogen dat artikel 6, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) geen geschikte grondslag is voor vrijheidsontneming van asielzoekers van wie het asielverzoek in de grensprocedure is afgewezen voor de duur van de rechtsmiddelentermijn. Omdat er geen andere geschikte grondslag is tijdens die termijn, is de in artikel 3, zesde lid, van de Vw 2000 opgenomen verplichting om de vreemdeling bij afwijzing van zijn asielverzoek in de grensprocedure onmiddellijk de toegang te weigeren, daarmee praktisch niet uitvoerbaar en moet om die reden buiten toepassing worden gelaten.
2.1. In deze zaak is de vraag aan de orde of de vrijheidsontnemende maatregel krachtens artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 - van toepassing voor de duur van de behandeling van het asielverzoek in de grensprocedure - in overeenstemming is met artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, van het EVRM en artikel 6 vanPro het EU Handvest.
Daarvoor moet worden beoordeeld of de vrijheidsontneming in overeenstemming is met (inter)nationale rechtsregels, niet willekeurig is en de maatregel tot doel heeft de vreemdeling de toegang te ontzeggen.
2.2. De vrijheidsontnemende maatregel als hier aan de orde vindt zijn grondslag in artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. Zoals de Afdeling reeds eerder heeft geoordeeld voldoet deze maatregel aan de voorwaarden en beperkingen die de Opvangrichtlijn daaraan stelt (uitspraak van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451). Die maatregel wordt - met uitzondering van de in het beleid vermelde categorieën vreemdelingen of in het geval van bijzondere individuele omstandigheden - opgelegd aan iedere vreemdeling die aan de buitengrens om asiel verzoekt. Van willekeur is daarom geen sprake.
Anders dan de vreemdeling betoogt resulteert niet elk aan de grens ingediend asielverzoek in een afwijzing in de grensprocedure en daarmee tot het verlenen van toegang tot Nederland. Zo ontvangen vreemdelingen die op enig moment tijdens de behandeling van het verzoek in de grensprocedure besluiten deze in te trekken, geen afwijzing als bedoeld in artikel 6, zesde lid, van de Vw 2000. Voor hen gelden de verplichtingen die voortvloeien uit de Terugkeerrichtlijn niet (artikel 109a van de Vw 2000). Aan hen wordt - na intrekking van het asielverzoek - daarom alsnog de toegang geweigerd en zij krijgen een vrijheidsbeperkende maatregel krachtens artikel 6, eerste lid, van de Vw 2000 opgelegd ofwel een vrijheidsontnemende maatregel krachtens artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000. Omdat gelet hierop niet elk aan de grens geuit asielverzoek per definitie leidt tot toegang tot Nederland, is de maatregel krachtens artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 opgelegd in overeenstemming met het bepaalde in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, van het EVRM en artikel 6 vanPro het EU Handvest.
2.3. De grief faalt.
3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.T. Annen, griffier.