ECLI:NL:RVS:2019:2866
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Sevenster
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatigheid vrijheidsontnemende maatregel bij asielprocedure aan grens
Bij besluit van 13 november 2018 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd gedurende de behandeling van zijn asielverzoek in de grensprocedure. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De kern van het geschil betrof de vraag of de vrijheidsontneming in overeenstemming is met artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 6 van Pro het EU Handvest. De vreemdeling stelde dat op grond van het arrest Gnandi van het Hof van Justitie toegang tot Nederland moet worden verleend na afwijzing van het asielverzoek, waardoor vrijheidsontneming niet gerechtvaardigd zou zijn.
De Afdeling overwoog dat de maatregel haar grondslag vindt in artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en voldoet aan de voorwaarden van de Opvangrichtlijn. Niet elk asielverzoek aan de grens leidt tot toegang tot Nederland; bij intrekking van het verzoek wordt toegang geweigerd en kan een vrijheidsbeperkende maatregel worden opgelegd. De maatregel is niet willekeurig en heeft als doel de toegang te reguleren.
De grief van de vreemdeling faalt en het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en de staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel tijdens de grensprocedure is rechtmatig en het hoger beroep wordt afgewezen.