ECLI:NL:RVS:2019:2843
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State bij hoger beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring
Bij besluit van 17 april 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag heeft op 17 juli 2019 het beroep van de vreemdeling tegen het voortduren van deze bewaring gegrond verklaard, de bewaring per die dag opgeheven en een schadevergoeding toegekend.
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling overwoog dat op grond van artikel 84 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 tegen een uitspraak over het voortduren van vreemdelingenbewaring geen hoger beroep mogelijk is, zodat zij zich onbevoegd verklaarde kennis te nemen van het hoger beroep.
De Afdeling veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, die geheel toe te rekenen waren aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer op 22 augustus 2019.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.