ECLI:NL:RVS:2019:2843

Raad van State

Datum uitspraak
22 augustus 2019
Publicatiedatum
22 augustus 2019
Zaaknummer
201905561/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 84 Vw 2000Art. 96 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid Raad van State bij hoger beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring

Bij besluit van 17 april 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag heeft op 17 juli 2019 het beroep van de vreemdeling tegen het voortduren van deze bewaring gegrond verklaard, de bewaring per die dag opgeheven en een schadevergoeding toegekend.

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling overwoog dat op grond van artikel 84 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 tegen een uitspraak over het voortduren van vreemdelingenbewaring geen hoger beroep mogelijk is, zodat zij zich onbevoegd verklaarde kennis te nemen van het hoger beroep.

De Afdeling veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, die geheel toe te rekenen waren aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer op 22 augustus 2019.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

201905561/1/V3.
Datum uitspraak: 22 augustus 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 17 juli 2019 in zaak nr. NL19.15341 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 17 april 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 17 juli 2019 heeft de rechtbank het tegen het voortduren van de bewaring door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.C. de Jong, advocaat te Rotterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    De uitspraak van de rechtbank gaat over het voortduren van de maatregel van bewaring (artikel 96 van Pro de Vw 2000). Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000). Dat onder de uitspraak ten onrechte staat dat wel hoger beroep kan worden ingesteld, verandert dat niet.
2.    De Afdeling is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen;
II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Vos
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2019
644.