ECLI:NL:RVS:2019:2602
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en terugwijzing van afwijzing verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris heeft op 15 augustus 2017 een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze afwijzing ongegrond op 26 april 2018. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Tijdens de procedure werd de behandeling aangehouden in afwachting van een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie, welke later werd ingetrokken. De Afdeling onderzocht vervolgens de nieuw aangevoerde asielmotieven in hoger beroep. De eerste grief van de vreemdeling leidde niet tot vernietiging omdat deze geen vragen bevatte die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De tweede grief werd wel gegrond verklaard, waarbij de Afdeling oordeelde dat de rechtbank moet toetsen of asielmotieven op het moment van indiening en concreetheid kunnen worden betrokken bij de beoordeling. Daarom vernietigde de Afdeling het vonnis van de rechtbank en wees de zaak terug voor herbehandeling met inachtneming van deze overwegingen.
De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling ten bedrage van €512,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak werd op 30 juli 2019 openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor herbehandeling met vergoeding van proceskosten aan de vreemdeling.