ECLI:NL:RVS:2019:2535
Raad van State
- Tussenuitspraak bestuurlijke lus
- Rechtspraak.nl
Vaststelling terugkijktermijn van 30 jaar voor VOG-aanvraag medewerker penitentiaire inrichting
De minister weigerde aan [wederpartij] een verklaring omtrent het gedrag (VOG) te verstrekken voor de functie van medewerker binnen een penitentiaire inrichting vanwege justitiële antecedenten binnen een terugkijktermijn van 30 jaar. De rechtbank verklaarde het besluit ondeugdelijk gemotiveerd omdat de minister onvoldoende had toegelicht waarom een terugkijktermijn van 30 jaar gold in plaats van een kortere termijn. De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het beleid van de minister om een terugkijktermijn van 30 jaar te hanteren voor functies binnen penitentiaire inrichtingen met mogelijke contactmomenten met gedetineerden niet onredelijk is. Het individuele relaas van de aanvrager over zijn werkzaamheden en toezicht is niet relevant voor de motivering van de termijn. De vergelijking met functies zoals advocaat of tolk is niet doorslaggevend omdat deze niet in opdracht van de DJI werken.
Wel is geoordeeld dat het besluit van de minister onvoldoende gemotiveerd is met betrekking tot de verwerking van een openstaande strafzaak wegens bedreiging, waarvoor de aanvrager later is vrijgesproken. De minister heeft deze vrijspraak niet adequaat betrokken in zijn besluitvorming, waardoor het besluit in strijd is met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Daarom is de minister opgedragen het besluit binnen zes weken te herzien en adequaat te motiveren of een nieuw besluit te nemen.
De uitspraak benadrukt dat de weigering van een VOG een preventief bestuursrechtelijk instrument is en dat de minister uit mag gaan van gegevens in het Justitieel Documentatie Systeem, maar bij gemotiveerde betwisting van een vermelding nader moet motiveren. De Afdeling stelt dat een vrijspraak niet altijd aan de weigering hoeft af te doen, maar wel aanleiding kan zijn voor nadere motivering.
De zaak illustreert de balans tussen het belang van veiligheid binnen penitentiaire inrichtingen en de rechten van aanvragers van een VOG, waarbij een zorgvuldige en deugdelijke motivering van besluiten essentieel is.
Uitkomst: De minister moet het besluit tot weigering van de VOG binnen zes weken opnieuw motiveren of een nieuw besluit nemen.