Uitspraak
201111391/1/A3en 22 juli 2009 in zaak nr.
200901285/1/H3), kan de enkele verdenking van een strafbaar feit de staatssecretaris, gelet op artikel 35, eerste lid, van de Wjsg, voldoende grondslag bieden om een weigering, als bedoeld in deze bepaling, op te baseren. Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen (uitspraken van 26 september 2012 in zaak nr.
201111391/1/A3en 24 juni 2009 in zaak nr.
200809311/1/H3), is de weigering een VOG af te geven een bestuursrechtelijk instrument dat een preventief doel dient en geen oplegging van een sanctie inhoudt. De staatssecretaris heeft door de registratie van het strafbare feit aan de weigering ten grondslag te leggen geen oordeel gegeven over de vraag of [appellant] schuldig is aan hetgeen waarvan hij wordt verdacht en derhalve geen inbreuk gemaakt op artikel 6, tweede lid, van het EVRM.
200809311/1/H3) dat het recht op privacy, als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM, niet wordt geschonden door de van toepassing zijnde regelgeving over de afgifte van een VOG. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het recht op privacy ingevolge artikel 8, tweede lid, van het EVRM, zijn begrenzing vindt in de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Naar het oordeel van de Afdeling is het doel van de VOG, te weten het beperken van de risico’s voor de samenleving, hiermee in overeenstemming. De Afdeling heeft voorts eerder overwogen (uitspraak van 11 november 2009 in zaak nr.
200902941/1/H3), dat ook al leidt de weigering een VOG te verstrekken ertoe dat de aanvrager het beroep waarvoor de VOG is aangevraagd niet kan uitoefenen de wetgever er bewust voor heeft gekozen. Daarom is dit niet als een bijzondere omstandigheid aan te merken. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris, gelet op het tijdsverloop en de hoeveelheid relevante antecedenten, in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan het risico voor de samenleving dan aan het belang van [appellant] bij afgifte van de VOG. Hierbij heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, nu op naam van [appellant] meer relevante justitiële gegevens binnen de terugkijktermijn zijn aangetroffen, de kans op recidive en het risico voor de samenleving niet voldoende zijn afgenomen.