ECLI:NL:RVS:2019:2516
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- E. Steendijk
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vaststelling niet-meewerken aan vertrek bij aanvraag verblijfsvergunning langdurig verblijvende kinderen
De staatssecretaris wees de aanvraag van een gezin voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af omdat zij niet voldoende meewerkten aan hun vertrek. De vreemdelingen, bestaande uit ouders en drie kinderen, voerden aan dat zij wel meewerkten en dat het vertrek ook naar België of Duitsland zou kunnen plaatsvinden.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd dat de vreemdelingen niet meewerkten, omdat uitnodigingen voor gesprekken met de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) niet als vorderingen konden worden gezien. Ook achtte de rechtbank de bereidheid om naar België of Duitsland te vertrekken voldoende.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde echter vast dat de meewerkingsplicht ook het opvolgen van uitnodigingen omvat en dat vertrek in het kader van de regeling alleen naar het land van herkomst of een ander land met gegarandeerde toegang geldt. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdelingen ongegrond.
Verder oordeelde de Afdeling dat de belangenafweging, waaronder het belang van de kinderen en de veiligheidssituatie in Libië, zorgvuldig was gemaakt en dat de staatssecretaris een fair balance had gevonden. De vreemdelingen konden hun situatie niet via deze procedure verbeteren en moesten een asielaanvraag overwegen.
De Afdeling wees het hoger beroep van de staatssecretaris toe, vernietigde het eerdere vonnis en wees het beroep van de vreemdelingen af zonder terugwijzing.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdelingen ongegrond wegens onvoldoende meewerken aan vertrek.