ECLI:NL:RVS:2019:2399
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen
De vreemdelingen hadden een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf, welke door de staatssecretaris op 24 mei 2017 werd afgewezen. Na een bezwaarprocedure werd het bezwaar eveneens ongegrond verklaard op 5 juli 2018. De vreemdelingen stelden beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 19 april 2019 ongegrond verklaarde.
De vreemdelingen gingen vervolgens in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld, mede omdat in artikel 29, tweede en vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 niet is vereist dat een referent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep alsnog gegrond.
Het besluit van 5 juli 2018 werd vernietigd wegens strijd met artikel 29, tweede en vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht. De Afdeling stelde hiermee het belang van de vreemdelingen centraal en corrigeerde het bestuursorgaan in de toepassing van de wet.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd.