ECLI:NL:RVS:2019:2391

Raad van State

Datum uitspraak
12 juli 2019
Publicatiedatum
12 juli 2019
Zaaknummer
201904277/1/V3 en 201904277/2/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • J.Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 92 Vreemdelingenwet 2000Algemene termijnenwetDublinverordening (PB 2013, L 180)
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank over niet-behandeling asielaanvragen vreemdelingen

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had op 26 april 2019 besloten om de asielaanvragen van twee vreemdelingen niet in behandeling te nemen. De rechtbank Den Haag verklaarde deze besluiten op 24 mei 2019 onrechtmatig en vernietigde ze, met de opdracht nieuwe besluiten te nemen.

De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep ontvankelijk was en dat de gronden van het hoger beroep slaagden, mede gelet op eerdere uitspraken over de opvang van gezinnen met minderjarige kinderen in Italië na overdracht krachtens de Dublinverordening.

De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde de beroepen van de vreemdelingen ongegrond. De gestelde bedreiging in Italië werd niet als voldoende reden gezien om de asielaanvraag aan zich te trekken. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart de beroepen van de vreemdelingen ongegrond.

Uitspraak

201904277/1/V3 en 201904277/2/V3.
Datum uitspraak: 12 juli 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), op het hoger beroep van:
de minister van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 24 mei 2019 in zaken nrs. NL19.9844 en NL19.9846 in het geding tussen:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kind,
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluiten van 26 april 2019 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 24 mei 2019 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Voorts heeft de minister de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. J. Singh, advocaat te Hoofddorp, hebben schriftelijke uiteenzettingen gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    Het betoog van de vreemdelingen in hun schriftelijke uiteenzetting dat het hoger beroep van de minister niet-ontvankelijk is, faalt. De uitspraak van de rechtbank is namelijk gedaan in het openbaar en bekendgemaakt op 24 mei 2019. De termijn voor het instellen van hoger beroep eindigde daarom op vrijdag 31 mei 2019, een dag die bij besluit van 24 oktober 2016, nr. 2016001827 (Stcrt. 2016, 58653), met een algemeen erkende feestdag is gelijkgesteld. Het hoger beroep is per fax bij de Afdeling binnengekomen op maandag 3 juni 2019, dat wil zeggen de eerstvolgende dag na 31 mei 2019 die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is (artikel 1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 3, derde lid, van de Algemene termijnenwet).
2.    De in de grieven opgeworpen rechtsvraag over de opvang in Italië van gezinnen met minderjarige kinderen na overdracht krachtens de Dublinverordening (PB 2013, L 180) heeft de Afdeling bij uitspraak van 12 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1861, beantwoord. Uit de overwegingen van die uitspraak, waarbij de Afdeling blijft, volgt dat de grieven slagen.
3.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de besluiten van 26 april 2019 toetsen in het licht van de daartegen bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na wat hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.
4.    De vreemdelingen hebben in beroep betoogd dat zij niet veilig zijn in Italië, omdat zij bedreigd worden door fundamentalisten in Pakistan die in de veronderstelling zijn dat zij naar Italië zijn gevlucht.
4.1.    Over de gestelde bedreiging heeft de staatssecretaris zich ter zitting van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdelingen zich in Italië tot de bevoegde autoriteiten kunnen wenden. Uit de dreigbrief die de vreemdelingen in beroep hebben overgelegd blijkt niet dat dat niet kan. Gelet hierop heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de gestelde bedreiging geen reden is om de asielaanvraag met toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich te trekken.
De beroepsgrond faalt.
5.    De beroepen zijn ongegrond. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 24 mei 2019 in zaken nrs. NL19.9844 en NL19.9846;
III.    verklaart de door de vreemdelingen bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen ongegrond;
IV.    wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, griffier.
w.g. Drop    w.g. Van Leeuwen
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2019
373-846.