ECLI:NL:RVS:2019:235
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering omgevingsvergunning voor kappen van twee beuken in Driebergen-Rijsenburg
Het geschil betreft de weigering van het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug om een omgevingsvergunning te verlenen voor het kappen van vijf beuken op percelen in Driebergen-Rijsenburg. Na bezwaar en beroep werd de vergunning voor één beuk verleend, maar voor de overige vier geweigerd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellanten hoger beroep instelden.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de discussie zich beperkte tot twee beuken op specifieke percelen. Het college had de vergunning geweigerd omdat de bomen als beeldbepalend werden aangemerkt en het vellen van deze bomen onlosmakelijk verbonden was met een vergunningplicht voor de activiteit aanleggen. Appellanten betoogden dat de bomen niet binnen de bosstrook stonden en dat alleen een vergunning voor kappen vereist was.
De Afdeling oordeelde dat de vergunningplicht voor de activiteit aanleggen alleen geldt indien de stammen van de bomen binnen de bosstrook liggen. Nu de stammen buiten deze aanduiding stonden, was geen vergunning voor aanleggen vereist. De rechtbank en het college hadden dit niet onderkend. Hierdoor was de weigering van de vergunning onterecht en werd het besluit vernietigd.
Omdat de vergunning voor het kappen van de twee beuken inmiddels was verleend en de bomen gerooid, hoefde het college geen nieuw besluit te nemen. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit, en bepaalde dat het college het betaalde griffierecht aan appellanten vergoedt.
Uitkomst: Het besluit van het college om de vergunning voor het kappen van twee beuken te weigeren wordt vernietigd en het college hoeft geen nieuw besluit te nemen.