ECLI:NL:RVS:2019:2303
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning asiel na hoger beroep
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 26 oktober 2018 door de staatssecretaris werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze afwijzing op 27 november 2018 ongegrond. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
In het hoger beroep werden meerdere grieven aangevoerd, waaronder vragen over de digitale ondertekening en openbaarmaking van de uitspraak van de rechtbank. Deze kwesties waren reeds behandeld in eerdere uitspraken van de Afdeling en leidden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.
De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep kennelijk ongegrond was en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, vastgesteld op €512,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Het hoger beroep is kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.