ECLI:NL:RVS:2019:2154
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Afwijzing persoonlijke betalingsregeling kinderopvangtoeslag wegens grove schuld over 2008 en 2009
Appellant had voor de jaren 2008 tot en met 2011 kinderopvangtoeslag ontvangen, die na controle moest worden terugbetaald omdat hij daar geen recht op had. Hij verzocht om een persoonlijke betalingsregeling, maar dit werd afgewezen wegens grove schuld. De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde eerder een uitspraak en bepaalde dat de Belastingdienst opnieuw per jaar moest beoordelen of appellant in aanmerking kwam voor een regeling.
In het besluit van 24 oktober 2018 verklaarde de Belastingdienst de regeling gegrond voor 2010 en 2011, maar handhaafde de afwijzing voor 2008 en 2009 vanwege grove schuld. De dienst stelde dat in die jaren geen kinderopvang had plaatsgevonden en dat appellant bewust een betaalstroom creëerde om toeslag te ontvangen. Appellant betwistte dit en verwees naar een overeenkomst en kwitanties, maar de authenticiteit daarvan werd door de dienst en de Afdeling betwijfeld.
De Afdeling kon het proces-verbaal van de politie niet inzien vanwege weigering van appellant, waardoor hij de mogelijkheid ontnam de juistheid van de stellingen te toetsen. Gezien de omstandigheden achtte de Afdeling de grove schuld aannemelijk. Hoewel appellant stelde dat hij ten onrechte niet opnieuw is gehoord, werd dit gebrek geacht niet te leiden tot benadeling. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar de Belastingdienst werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht wegens schending van de hoorplicht.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de persoonlijke betalingsregeling voor 2008 en 2009 wegens grove schuld bevestigd.