ECLI:NL:RVS:2019:2031
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank en toekenning schadevergoeding bij onrechtmatige vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling
Bij besluit van 21 december 2018 werd aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. De rechtbank Den Haag verklaarde het daartegen ingestelde beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling beantwoordde de rechtsvraag over de rechtmatigheid van de maatregel aan de hand van recente uitspraken van het Hof van Justitie, waaronder het arrest Gnandi (19 juni 2018) en de beschikking C., J. en S. (5 juli 2018).
Op grond van deze jurisprudentie oordeelde de Afdeling dat het hoger beroep kennelijk gegrond is, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling alsnog gegrond. Omdat de maatregel inmiddels was opgeheven, was een bevel tot opheffing niet nodig. De vreemdeling kreeg een schadevergoeding van €3.920 toegekend, en de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €1.536.
De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 26 juni 2019.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de vreemdeling krijgt een schadevergoeding toegekend.