ECLI:NL:RVS:2019:1942
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing toevoeging rechtsbijstand wegens overschrijding vermogensgrens
Appellant vroeg op 3 november 2017 een toevoeging voor rechtsbijstand aan, welke door de raad op 12 december 2017 werd afgewezen vanwege een vermogen boven de wettelijke grens. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat de raad het vermogen onjuist had vastgesteld omdat niet het gemiddelde van het begin en eind van het peiljaar was genomen, zoals volgens hem vereist is op grond van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb).
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het begrip vermogen in de Wrb verwijst naar de rendementsgrondslag zoals vastgesteld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, waarbij de peildatum het begin van het kalenderjaar is. De Afdeling bevestigde dat de raad terecht is uitgegaan van de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar en niet van een gemiddelde over het peiljaar. Ook oordeelde de Afdeling dat de raad terecht geen hoorzitting hield, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de situatie niet vergelijkbaar was met een ander besluit waarbij wel een hoorzitting had plaatsgevonden. Gezien het voorgaande werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de toevoeging rechtsbijstand bevestigd.