ECLI:NL:RVS:2019:1941
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing toevoeging rechtsbijstand wegens overschrijding vermogensgrens
Appellant diende een aanvraag in voor een toevoeging rechtsbijstand in verband met een geschil over verborgen gebreken bij een verkochte woning. De raad voor rechtsbijstand wees deze aanvraag af omdat het vermogen van appellant boven de wettelijke grens lag. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat de raad het vermogen onjuist had vastgesteld door alleen het vermogen aan het begin van het peiljaar te hanteren, terwijl volgens haar het gemiddelde van het begin en het eind van het peiljaar moest worden genomen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de wettelijke bepalingen, waaronder de Wet op de rechtsbijstand en de Wet op de inkomstenbelasting, duidelijk maken dat het vermogen wordt bepaald op basis van de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar.
Verder stelde appellant dat zij ten onrechte niet in bezwaar was gehoord. De Afdeling stelde vast dat van het horen mag worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is en dat de raad over voldoende informatie beschikte om het besluit te heroverwegen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de vergelijkbare zaak niet gelijk was aan die van appellant. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de toevoeging rechtsbijstand wegens het vermogen boven de wettelijke grens.