ECLI:NL:RVS:2019:1835
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing toevoeging rechtsbijstand wegens bedrijfsbelang
Appellant was tot maart 2015 in loondienst bij het bedrijf van zijn vader en richtte daarna via een holding een eigen onderneming op. Er ontstonden conflicten tussen appellant en het bedrijf van zijn vader, wat leidde tot een procedure wegens onrechtmatige daad en wanprestatie.
Appellant vroeg een toevoeging voor rechtsbijstand aan om in hoger beroep verweer te voeren, maar de Raad voor Rechtsbijstand wees dit af op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb), omdat het geschil verband hield met de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat ook een privébelang speelde als voormalig werknemer, waarvoor rechtsbijstand had moeten worden verleend. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat het privébelang en het bedrijfsbelang zo verknocht zijn dat zij niet los van elkaar kunnen worden gezien en dat het geschil zijn oorsprong vindt in het bedrijfsmatig handelen.
Daarom bevestigde de Afdeling de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de toevoeging voor rechtsbijstand omdat het geschil voortkomt uit bedrijfsbelang.