ECLI:NL:RVS:2019:1817
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag Verklaring Omtrent het Gedrag voor taxichauffeur bevestigd
Appellant vroeg op 26 augustus 2017 een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aan om als taxichauffeur te kunnen werken. De minister wees de aanvraag af wegens een veroordeling uit 2015 voor beschadiging van goederen en brandstichting, naast enkele sepots uit eerdere jaren. Appellant stelde dat de minister ten onrechte zwaar tilde aan oude sepots en dat zijn langdurige goede functioneren als taxichauffeur onvoldoende werd meegewogen.
De Raad van State overwoog dat het objectieve criterium voor afgifte van een VOG is gebaseerd op het risico dat de justitiële gegevens voor de samenleving vormen. De veroordeling uit 2015 was onverenigbaar met het chauffeursprofiel vanwege de aard van het delict en de hoge integriteitseisen in de taxibranche. Ook mocht de minister eerdere sepots betrekken bij de beoordeling.
Het subjectieve criterium, waarbij belangen van appellant worden meegewogen, werd door de minister zorgvuldig toegepast. Gezien de frequentie van de feiten, het korte tijdsverloop en de aard van de straf, was het redelijk dat de minister de belangenafweging in het nadeel van appellant liet uitvallen. De Raad van State bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om een Verklaring Omtrent het Gedrag wordt bevestigd.