ECLI:NL:RVS:2019:1689
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring hoger beroep tegen vreemdelingenbewaring en toekenning schadevergoeding
De vreemdeling werd bij besluit van 22 februari 2019 in vreemdelingenbewaring gesteld. Tegen dit besluit stelde hij beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 25 maart 2019 ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze Afdeling oordeelde dat de klachten over opeenstapeling van gebreken tijdens de staandehouding, overbrenging en ophouding gegrond waren, overeenkomstig een eerdere uitspraak in een vergelijkbare zaak.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en kende de vreemdeling een schadevergoeding toe van €4.560,00 over de periode van 20 februari tot en met 17 april 2019. Tevens werd de minister van Justitie en Veiligheid veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €1.792,00. Omdat de vrijheidsontnemende maatregel reeds was opgeheven, was een bevel tot opheffing niet nodig.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de vreemdeling krijgt een schadevergoeding toegekend.