ECLI:NL:RVS:2019:1688
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling vrijgelaten uit vreemdelingenbewaring en toegekende schadevergoeding
De vreemdeling werd op 22 februari 2019 in vreemdelingenbewaring gesteld. Tegen dit besluit stelde hij beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 25 maart 2019 ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze oordeelde dat de klachten over de staandehouding, overbrenging en ophouding gegrond waren, zoals reeds in een gelijktijdige zaak was vastgesteld. De Raad van State vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond.
De Raad van State bepaalde dat de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 23 mei 2019 wordt opgeheven. Daarnaast werd aan de vreemdeling een schadevergoeding van €7.360 toegekend voor de periode van 20 februari tot en met 22 mei 2019. Tevens werden proceskosten van €1.792 toegekend, te betalen door de minister van Justitie en Veiligheid.
Deze uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige toepassing van vreemdelingenbewaring en het recht op schadevergoeding bij onrechtmatige vrijheidsbeneming.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de vreemdelingenbewaring wordt opgeheven en een schadevergoeding en proceskosten worden toegekend.