ECLI:NL:RVS:2019:1624
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vermindering bestuurlijke boete wegens overtreding Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag
De staatssecretaris legde appellant een boete van €5.400 op wegens het niet naleven van artikel 18b, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wmm). Dit volgde op een controle waarbij werd vastgesteld dat een persoon kapperswerkzaamheden verrichtte zonder dat dit in de administratie was verwerkt en zonder loonbetaling.
Appellant voerde aan dat deze persoon slechts aanwezig was om de zaak over te nemen en betwistte de betaling, maar de rechtbank oordeelde dat er een redelijk vermoeden bestond van arbeid. Appellant stelde ook dat de boete gematigd moest worden vanwege zijn financiële situatie, maar kon dit onvoldoende onderbouwen.
De Raad van State overwoog dat de rechtbank het oordeel terecht had gevormd en dat appellant geen nieuwe gronden had aangevoerd. Wel werd de boete gematigd tot €4.500 op grond van een nieuwe beleidsregel die lagere boetebedragen voorschrijft en het toepasselijke legaliteitsbeginsel.
De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het hoger beroep gegrond verklaard en de boete aangepast. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: De bestuurlijke boete wordt gematigd tot €4.500 en het hoger beroep wordt gegrond verklaard.