ECLI:NL:RVS:2019:1620
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ondeugdelijke motivering
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 5 april 2017 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Het bezwaar tegen dit besluit werd op 1 november 2017 ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze besluiten op 19 december 2018 ongegrond. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat de staatssecretaris niet had voldaan aan zijn nieuwe vaste gedragslijn bij de beoordeling van de identiteit en familierelatie van de vreemdeling, zoals vastgesteld in eerdere uitspraken (ECLI:NL:RVS:2018:1508 en ECLI:NL:RVS:2018:1509). De motivering van het besluit was ondeugdelijk omdat niet was aangetoond dat onofficiële documenten waren betrokken bij de beoordeling.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep kennelijk gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit en verklaarde het beroep alsnog gegrond. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht. Het hogerberoepschrift bevatte geen vragen van algemeen belang, zodat verdere motivering achterwege bleef.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.