ECLI:NL:RBDHA:2018:16401

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2018
Publicatiedatum
27 juni 2019
Zaaknummer
AWB 17/15953
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:3 AwbArt. 11 lid 2 Gezinsherenigingsrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voorlopig verblijf nareis Eritrese asielzoekster wegens onvoldoende bewijs identiteit en gezinsrelatie

Eiseres, een Eritrese vrouw, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis, waarbij zij een gezinsherenigingsprocedure startte met haar vermeende echtgenoot (referent) die in Nederland verblijft. De staatssecretaris weigerde de aanvraag omdat eiseres geen officiële identiteitsdocumenten kon overleggen en de familierechtelijke relatie niet aannemelijk was gemaakt.

De rechtbank stelde vast dat eiseres tegenstrijdige verklaringen gaf over haar identiteit en dat de overgelegde schoolkaart onvoldoende bewijs bood. Ook was de kerkelijke huwelijksakte onvoldoende en waren er tegenstrijdige verklaringen over de samenwoning. Verweerder hoefde geen nader onderzoek te verrichten omdat eiseres niet in bewijsnood verkeerde.

De rechtbank oordeelde dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat zij geen officiële documenten kon overleggen en dat de onofficiële documenten onvoldoende waren om haar identiteit en gezinsrelatie te bewijzen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf voor nareis wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van identiteit en gezinsrelatie.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 17/15953
V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2018 in de zaak tussen

[naam], eiseres,
gemachtigde: mr. E.W.B. van Twist
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 1 november 2017 (het bestreden besluit) over de afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor nareis asiel.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2018. Eiseres is verschenen bij gemachtigde. Verweerder is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verder is verschenen [naam] (referent). Als tolk is verschenen Z. Haile. De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.

Overwegingen

1. Eiseres heeft gesteld te zijn geboren op 1 juli 1994 en de Eritrese nationaliteit te bezitten. Op 12 december 2014 heeft referent en gestelde echtgenoot van eiseres, namens haar een aanvraag ingediend om afgifte van een mvv in het kader van nareis. Op 13 april 2015 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Daarin heeft verweerder vastgesteld dat eiseres nog in Eritrea verblijft en dat niet kan worden onderzocht of zij voldoet aan de voorwaarden van het nareisbeleid. Eiseres is in de gelegenheid gesteld om opnieuw een aanvraag in te dienen. Op 2 maart 2016 heeft eiser de nieuwe aanvraag ingediend. Bij besluit van 5 april 2017 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.
2. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser daartegen ongegrond verklaard.
Daarbij heeft verweerder overwogen dat eiseres haar identiteit en de familierechtelijke relatie met referent niet heeft aangetoond. Eiseres heeft over het aantonen van haar identiteit tegenstrijdige verklaringen afgelegd. De overgelegde schoolkaart is in dat verband niet voldoende om de identiteit vast te stellen. Eiseres heeft geen bevestiging van haar kerkelijke huwelijk overgelegd en er zijn tegenstrijdige verklaringen over de samenwoning door eiseres en referent afgelegd. Eiseres verkeert volgens verweerder niet in bewijsnood. Er is daarom geen aanleiding om nader onderzoek in te stellen.
3. Op wat eiseres daartegen heeft aangevoerd wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Sinds november 2017 [1] hanteert verweerder een nieuw beoordelingskader voor nareisaanvragen. In de uitspraak van 16 mei 2018 [2] heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat dit kader in overeenstemming is met artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.
Een vreemdeling moet zowel de gestelde familierelatie met de desbetreffende referent als zijn identiteit aantonen met officiële documenten. De eis om een identiteitskaart in plaats van een paspoort te overleggen is een tegemoetkoming in de bewijslast.
Indien een vreemdeling stelt dat hij geen officiële documenten kan overleggen, moet hij dit aannemelijk maken. Als die vreemdeling dit aannemelijk heeft gemaakt, betrekt verweerder onofficiële documenten bij zijn beoordeling en kan hij aanvullend onderzoek aanbieden. Als die vreemdeling dit niet aannemelijk heeft gemaakt maar wel één of meer onofficiële documenten heeft overgelegd, betrekt verweerder deze onofficiële documenten bij zijn beoordeling. Deze documenten kunnen verweerder aanleiding geven om de desbetreffende vreemdeling aanvullend onderzoek aan te bieden.
5. Vast staat dat eiseres geen officiële identiteitsdocumenten heeft overgelegd die haar identiteit kunnen aantonen. Het ontbreken van die documenten heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft aan de door eiseres overgelegde doopakte geen betekenis hoeven hechten voor het bewijs van de identiteit van eiseres. Verweerder heeft terecht vastgesteld dat die doopakte geen betrekking heeft op eiseres maar op referent en dat die akte bovendien een fout bevat omdat de datum van de doop van eerdere datum is die van de geboorte. Bij onderzoek Bureau Documenten van 4 januari 2017 is daarnaast vast gesteld dat de akte niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven.
6. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in bewijsnood verkeert voor wat betreft het overleggen van officiële identiteitsdocumenten. Zij heeft voorts
geen ander substantieel bewijs van haar identiteit overgelegd. De gestelde gezinsband met referent, ten bewijze waarvan eiseres een kerkelijke huwelijksakte heeft overgelegd en waarover eiseres subsidiair heeft gesteld dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie, behoeft om die reden geen bespreking. Verweerder heeft de aanvraag daarom terecht afgewezen en geen aanleiding gezien voor nader onderzoek.
7. Eiseres heeft, anders dan in bezwaar, geen grond ingediend tegen het kennelijk ongegrond verklaren van haar bezwaar met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P. van Alphen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. W. Evenhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2018.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.WBV 2017/14, Stcrt. 2017, nr. 70919 en de brief van verweerder van 23 november 2017 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal (Kamerstukken II 2017/18, 19 637, nr. 2354)