ECLI:NL:RVS:2019:1551
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing toevoeging rechtsbijstand voor verzoek schadevergoeding na strafzaak
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de afwijzing door de raad voor rechtsbijstand van zijn aanvraag voor een toevoeging rechtsbijstand (LAT) voor het indienen van een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 591a Sv, nadat de dagvaarding in zijn strafzaak nietig was verklaard.
De raad had de aanvraag afgewezen omdat de werkzaamheden waarvoor de LAT werd gevraagd, volgens het bestuursorgaan, al waren vergoed op basis van een eerder verleende toevoeging voor de strafzaak. De rechtbank oordeelde dat dit standpunt gegrond was, omdat het verzoek om schadevergoeding nauw verweven was met de strafzaak en hetzelfde rechtsbelang betrof.
Appellant voerde aan dat de werkzaamheden na afronding van de strafprocedure plaatsvonden en dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld over de uitnodiging voor de hoorzitting van de bezwaarcommissie en de samenstelling daarvan. De Afdeling oordeelde dat de raad aannemelijk had gemaakt dat een vertegenwoordiger was uitgenodigd en dat het horen door twee leden van de commissie, hoewel niet conform artikel 7:13 Awb Pro, geen aanleiding gaf tot vernietiging van het besluit.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de raad tot vergoeding van de proceskosten van appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep, alsmede tot terugbetaling van het griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de toevoeging bevestigd met veroordeling tot proceskostenvergoeding.