ECLI:NL:RVS:2019:1536
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit Belastingdienst over toeslagpartner in zorgtoeslag en kindgebonden budget 2017
De Belastingdienst/Toeslagen stelde in 2018 de voorschotten voor zorgtoeslag en kindgebonden budget van appellant over 2017 vast, waarbij de echtgenoot van appellant als toeslagpartner werd aangemerkt vanaf het moment van huwelijk in oktober 2016.
Appellant voerde aan dat zijn echtgenoot pas vanaf 10 oktober 2017 rechtmatig in Nederland verbleef en samenwoonde, zodat deze niet voor het gehele jaar als toeslagpartner had moeten worden beschouwd. Hij verwees naar artikel 5a, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en jurisprudentie over duurzaam gescheiden leven.
De rechtbank oordeelde dat op grond van de dwingendrechtelijke bepalingen van de Awr en Awir de echtgenoot als partner moet worden aangemerkt, ook zonder samenwoning gedurende het hele jaar, omdat niet aan de cumulatieve voorwaarden voor de uitzondering werd voldaan.
In hoger beroep bevestigde de Raad van State dit oordeel. Het beroep op het eigendomsrecht uit het EVRM werd verworpen omdat een voorschot geen 'possession' is. Ook andere internationale verdragen gaven geen aanleiding tot vernietiging. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.