ECLI:NL:RVS:2019:1456
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 2 oktober 2017 de aanvraag van de vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Hiertegen werd bezwaar gemaakt, dat op 19 juli 2018 ongegrond werd verklaard. De vreemdelingen stelden beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit op 3 oktober 2018 ongegrond verklaarde.
De vreemdelingen gingen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling overwoog dat artikel 29, tweede en vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 niet vereist dat een referent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft. Op grond hiervan werd geoordeeld dat het eerdere besluit en de uitspraak van de rechtbank in strijd waren met dit wetsartikel.
De Afdeling vernietigde daarom het besluit van 19 juli 2018 en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep gegrond en het beroep alsnog gegrond. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdelingen. De griffierechten werden niet aan de vreemdelingen vergoed omdat zij afzagen van het heffen daarvan.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit en de uitspraak worden vernietigd en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.