ECLI:NL:RVS:2019:1456

Raad van State

Datum uitspraak
6 mei 2019
Publicatiedatum
6 mei 2019
Zaaknummer
201808707/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • E. Steendijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 29 Vw 2000
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 2 oktober 2017 de aanvraag van de vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Hiertegen werd bezwaar gemaakt, dat op 19 juli 2018 ongegrond werd verklaard. De vreemdelingen stelden beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit op 3 oktober 2018 ongegrond verklaarde.

De vreemdelingen gingen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling overwoog dat artikel 29, tweede en vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 niet vereist dat een referent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft. Op grond hiervan werd geoordeeld dat het eerdere besluit en de uitspraak van de rechtbank in strijd waren met dit wetsartikel.

De Afdeling vernietigde daarom het besluit van 19 juli 2018 en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep gegrond en het beroep alsnog gegrond. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdelingen. De griffierechten werden niet aan de vreemdelingen vergoed omdat zij afzagen van het heffen daarvan.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit en de uitspraak worden vernietigd en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

201808707/1/V1.
Datum uitspraak: 6 mei 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdelingen],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 3 oktober 2018 in zaak nr. 18/5527 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 2 oktober 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdelingen om hun een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 19 juli 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 oktober 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. E. Derksen, advocaat te Velp, hoger beroep ingesteld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    In de uitspraak van 16 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1174, heeft de Afdeling overwogen dat in artikel 29, tweede en vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) niet als vereiste is opgenomen dat een referent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft.
2.    De Afdeling heeft de in grief I opgeworpen rechtsvragen over de afwijzingsgrond van de aanvraag beantwoord in de onder 1. vermelde uitspraak. Uit deze uitspraak volgt dat de grief slaagt.
3.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Wat de vreemdelingen voor het overige aanvoeren, behoeft geen bespreking. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog gegrond verklaren. Het besluit van 19 juli 2018 wordt vernietigd wegens strijd met artikel 29, tweede en vierde lid, van de Vw 2000. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
4.    Omdat de griffier van de Afdeling de vreemdelingen heeft bericht vooralsnog af te zien van het heffen van griffierecht, bestaat geen grond te bepalen dat de staatssecretaris aan de vreemdelingen het griffierecht vergoedt.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 3 oktober 2018 in zaak nr. 18/5527;
III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV.    vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 19 juli 2018, V-nummers […], […], […], […] en […];
V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.536,00 (zegge: vijftienhonderdzesendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, griffier.
w.g. Steendijk    w.g. De Keizer
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2019
716.