ECLI:NL:RVS:2019:140
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering uitspraak rechtbank inzake machtiging voorlopig verblijf
Bij besluit van 20 juni 2017 wees de staatssecretaris een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf voor een vreemdeling af. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt, dat op 23 mei 2018 ongegrond werd verklaard. De vreemdeling en referent stelden vervolgens beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 30 november 2018 het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op te schorten. De vreemdeling en referent gaven een schriftelijke reactie op dit verzoek.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk was dat de uitspraak van de rechtbank in stand zou blijven en dat de belangen van partijen aanleiding gaven om de voorlopige voorziening toe te wijzen. De staatssecretaris hoeft daarom geen nieuw besluit te nemen voordat het hoger beroep is beslist. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: De staatssecretaris hoeft geen nieuw besluit te nemen voordat het hoger beroep is beslist.