ECLI:NL:RVS:2019:1292
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 9 november 2017 de aanvraag van vreemdelingen voor een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond. De vreemdelingen stelden beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 12 februari 2019 het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze oordeelde op 19 april 2019 dat het hoger beroep kennelijk ongegrond was en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De Raad van State vond geen aanleiding tot nadere motivering, mede gelet op een recente uitspraak van dezelfde Afdeling.
De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdelingen ten bedrage van €512,00 en tot betaling van griffierecht van €519,00. De uitspraak werd in het openbaar gedaan door lid van de enkelvoudige kamer E. Steendijk, in aanwezigheid van griffier A.K. de Keizer.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris kennelijk ongegrond.