ECLI:NL:RVS:2019:1035
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen invordering dwangsom milieuovertreding
Appellant exploiteert een pluimveebedrijf te Heusden waarvoor meerdere omgevingsvergunningen zijn verleend. Het college legde op 8 juni 2016 een last onder dwangsom op wegens het zonder vergunning huisvesten van legkippen en het niet in werking hebben van het bedrijf conform de vergunning. De dwangsom bedroeg € 15.000.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant tegen het besluit deels gegrond en vernietigde het wijzigingsbesluit van 24 januari 2017, maar handhaafde de last onder dwangsom voor overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder e, onder 2o, van de Wabo. Het college nam op 8 maart 2018 een invorderingsbesluit tot betaling van de dwangsom nadat op 26 mei 2017 was geconstateerd dat kippen werden gehouden.
Appellant stelde dat de bevoegdheid tot invordering was verjaard omdat de dwangsom reeds op 6 oktober 2016 van rechtswege was verbeurd. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de bevoegdheid tot invordering inderdaad verjaard was omdat het college niet binnen een jaar na verbeuren van de dwangsom tot invordering was overgegaan. Hierdoor was het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er was geen belang meer bij inhoudelijke behandeling aangezien geen nieuwe last onder dwangsom werd opgelegd en sloopactiviteiten plaatsvonden.
De Afdeling benadrukte dat het college tijdig en deugdelijk feiten moet vaststellen, maar dat de verbeuring van de dwangsom niet afhankelijk is van het controlemoment. De verjaringstermijn voor invordering van de dwangsom is één jaar na verbeuring. Het college liep het risico door niet tijdig te handelen. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens verjaring van de bevoegdheid tot invordering van de dwangsom.