ECLI:NL:RVS:2018:657
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vergoeding rechtsbijstand klachtprocedure bij EHRM als advieszaak
De zaak betreft een hoger beroep van een advocaat tegen de vastgestelde vergoeding voor verleende rechtsbijstand bij een klachtprocedure bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). De raad had de vergoeding herzien en vastgesteld op € 852,61, omdat een klachtprocedure bij het EHRM volgens het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr) niet als procedure, maar als advieszaak wordt aangemerkt.
De rechtbank had deze beslissing bevestigd en geoordeeld dat de procedure bij het EHRM, hoewel gebaseerd op een internationaal verdrag met algemene verbindende kracht in Nederland, niet kwalificeert als een wettelijk geregelde klachtprocedure in de zin van het Bvr. De appellant voerde aan dat artikel 93 van Pro de Grondwet en artikel 34 van Pro het EVRM de procedure wel als zodanig erkennen, maar dit betoog werd door de Afdeling verworpen.
De Afdeling overwoog dat de procedure bij het EHRM is ingesteld en geregeld bij verdrag en niet bij Nederlandse wet, en dat het Bvr deze procedure niet onder het begrip procedure schaart. Er is geen aanleiding om hiervan af te wijken, ook niet vooruitlopend op evaluaties van het puntentoekenningssysteem. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de lagere vergoeding als advieszaak bevestigd.