ECLI:NL:RVS:2018:641
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- J.J. van Eck
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking verblijfsvergunning en inreisverbod na bezwaar en beroep
De staatssecretaris heeft op 24 februari 2016 de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van de vreemdeling ingetrokken en een inreisverbod van tien jaar opgelegd. Na bezwaar is de duur van het inreisverbod teruggebracht tot vijf jaar. De rechtbank heeft het beroep van de vreemdeling tegen het inreisverbod gegrond verklaard en het besluit vernietigd, terwijl het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk werd verklaard.
De vreemdeling en de staatssecretaris stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelt dat het hoger beroep van de vreemdeling kennelijk ongegrond is en dat het hoger beroep van de staatssecretaris niet-ontvankelijk is, omdat de rechtsgevolgen van het bezwaarbesluit in stand blijven en de staatssecretaris geen rechtens te beschermen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling.
De Raad van State bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdeling. De zaak betreft bestuursrechtelijke procedures rondom vreemdelingenrechtelijke besluiten.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt niet-ontvankelijk verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.