ECLI:NL:RVS:2018:538
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Veroordeling staatssecretaris tot vergoeding proceskosten na niet-ontvankelijkheid verblijfsvergunningaanvraag
De staatssecretaris heeft op 30 november 2017 een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 15 januari 2018 ongegrond verklaarde. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die de vreemdeling heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep. Dit omdat het besluit gebreken vertoonde, onder meer doordat niet was toegelicht waarom bij het aanmeldgehoor Dublin geen beëdigde tolk werd ingezet.
Het hoger beroep wordt daarom gegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd voor zover het de proceskosten betreft. Voor het overige wordt het vonnis bevestigd. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat geen grond bestaat om de rechtmatigheid van de feitelijke overdracht en de wijze van effectuering daarvan in twijfel te trekken.
De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdeling tot een bedrag van € 1.503,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 1.503,00, het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.