ECLI:NL:RVS:2018:448

Raad van State

Datum uitspraak
8 februari 2018
Publicatiedatum
9 februari 2018
Zaaknummer
201801057/2/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbWet Centraal Orgaan opvang asielzoekers
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting in hoger beroep verblijfsvergunning asiel

De vreemdeling had bij de staatssecretaris een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 19 december 2017 werd afgewezen. Hiertegen stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die het beroep op 25 januari 2018 ongegrond verklaarde. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter overwoog dat het verzoek om niet uitgezet te worden en om opvang en verstrekkingen gedurende de duur van het hoger beroep in het licht van eerdere jurisprudentie toewijsbaar was. De staatssecretaris werd daarnaast veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die de vreemdeling had gemaakt voor rechtsbijstand.

De voorzieningenrechter bepaalde dat de vreemdeling niet mag worden uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en legde aan de staatssecretaris een proceskostenveroordeling van €501 op, toe te rekenen aan professionele rechtsbijstand. De uitspraak werd openbaar gedaan op 8 februari 2018.

Uitkomst: De vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris moet proceskosten vergoeden.

Uitspraak

201801057/2/V2.
Datum uitspraak: 8 februari 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 25 januari 2018 in zaak nr. NL17.15543 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 19 december 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 25 januari 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.
Voorts heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.    De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat hem gedurende die periode opvang en verstrekkingen voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers wordt geboden.
2.    Gelet op wat is aangevoerd, komt het verzoek, in het licht van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 20 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3350, op na te melden wijze voor toewijzing in aanmerking.
3.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdeling niet wordt uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;
II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.R.M. Brouwer, griffier.
w.g. Bijloos    w.g. Brouwer
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2018
791.