ECLI:NL:RVS:2018:4246
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening voorschot kinderopvangtoeslag op nihil wegens niet voldane kosten
In deze zaak heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van appellante over 2016 herzien en op nihil gesteld omdat zij niet alle kosten voor de kinderopvang bij twee instellingen heeft voldaan. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep tegen dit besluit, maar zowel de rechtbank Rotterdam als de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaarden het beroep ongegrond.
De rechtbank oordeelde dat de door appellante overgelegde bankafschriften onvoldoende bewijs vormden omdat de kinderopvanginstelling betalingen had laten terugstorten. Ook een betalingsregeling met een lange looptijd werd niet als voldoende beschouwd om aan te tonen dat de kosten daadwerkelijk zouden worden voldaan. De rechtbank vond het besluit niet in strijd met het vertrouwensbeginsel en wees op het ontbreken van wettelijke mogelijkheden tot kwijtschelding.
Appellante voerde aan dat het op nihil stellen van het voorschot niet evenredig was omdat slechts een deel van de kosten niet was voldaan en dat de Belastingdienst haar niet had gewezen op de consequenties. De Afdeling benadrukte dat volgens vaste rechtspraak aanspraak op kinderopvangtoeslag alleen bestaat indien alle kosten volledig en tijdig zijn voldaan. Een gedeeltelijke betaling leidt niet tot een evenredig lager voorschot. Het betoog van appellante werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De Afdeling stelde vast dat appellante verantwoordelijk is voor het naleven van de voorwaarden voor kinderopvangtoeslag en dat het ontbreken van een waarschuwing door de Belastingdienst niet aan de rechtmatigheid van het besluit afdoet. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het voorschot kinderopvangtoeslag blijft op nihil gesteld.