ECLI:NL:RVS:2018:4229
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep staatssecretaris in vreemdelingenrechtelijke zaak
Bij besluit van 22 december 2015 wees de staatssecretaris een aanvraag van een vreemdeling om afgifte van een verblijfsdocument als gemeenschapsonderdaan af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 29 maart 2016 ongegrond werd verklaard. De rechtbank stelde de staatssecretaris in de gelegenheid een gebrek te herstellen, maar na weigering verklaarde zij het beroep gegrond en vernietigde het besluit.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in. Tijdens de procedure bevestigde hij dat de vreemdeling inmiddels op een andere grondslag rechten ontleent aan het VWEU en dus in aanmerking komt voor het gevraagde document. Hierdoor zag de Raad van State geen belang meer bij het hoger beroep.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling en het griffierecht. Het hoger beroep had geen kans op een gunstiger uitkomst voor de staatssecretaris.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt niet-ontvankelijk verklaard en hij wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.