ECLI:NL:RVS:2018:3819
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- E. Steendijk
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens verkeerde indiener en termijnoverschrijding in boetebesluit Wet inburgering
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde op 27 maart 2017 een boete van €1.250,- op aan de wederpartij wegens het niet naleven van artikel 7, eerste lid, van de Wet inburgering. Na een bezwaarprocedure verklaarde de rechtbank Den Haag het beroep van de wederpartij gegrond, herzag de boete naar €250,- en vernietigde het eerdere besluit.
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap stelde hiertegen hoger beroep in, maar gaf onterecht aan als indiener op te treden in plaats van de bevoegde minister van SZW. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de identiteit van de indiener voor het verstrijken van de beroepstermijn kenbaar had moeten zijn, wat niet het geval was. Bovendien werd het nader stuk pas na afloop van de beroepstermijn ingediend.
Hierdoor werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er werden geen proceskosten toegewezen, maar de minister van OCW werd wel een griffierecht van €508,- opgelegd. De uitspraak werd gedaan door voorzitter Troostwijk en leden Steendijk en de Moor-van Vugt op 21 november 2018.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig kenbaar maken van de juiste indiener en termijnoverschrijding.