ECLI:NL:RVS:2018:3631
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- E. Steendijk
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete voor overtreding Wet arbeid vreemdelingen ondanks betwisting verwijtbaarheid en matiging
De minister legde op 14 november 2016 aan appellant een boete van €6.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), omdat een vreemdeling zonder geldige tewerkstellingsvergunning werkzaamheden verrichtte. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen de boete, stellende dat de overtreding haar niet of verminderd valt te verwijten vanwege het bezit van een BSN door de vreemdeling en het afdragen van loonbelasting.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het enkel beschikken over een BSN niet betekent dat de vreemdeling gerechtigd was om te werken en dat het de verantwoordelijkheid van appellant was om de juiste vergunning te controleren bij het UWV. De boete was terecht gematigd met 25% vanwege correcte loonbetalingen en administratie.
Verder oordeelde de Afdeling dat de financiële positie van appellant en haar vennoten onvoldoende was aangetoond om verdere matiging te rechtvaardigen. Het betoog dat het beleid van de staatssecretaris inconsequent zou zijn, werd verworpen. De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €6.000 wegens illegale tewerkstelling zonder vergunning en verklaart het hoger beroep ongegrond.