ECLI:NL:RVS:2018:3462
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- C.H.M. van Altena
- G.M.H. Hoogvliet
- H. Bolt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit invordering dwangsommen wegens gebrekkige bekendmaking aan Alliander
Het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland legde bij besluit van 7 juli 2016 een invordering van dwangsommen van € 60.000,- op aan Alliander. Dit volgde op constatering dat graafwerkzaamheden waren verricht zonder de vereiste milieumeldingen en -maatregelen, in strijd met de Wet bodembescherming en het Besluit uniforme saneringen.
Alliander en Liander maakten bezwaar tegen dit besluit, dat op 24 november 2016 ongegrond werd verklaard. Beide partijen stelden beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat Liander geen belanghebbende was bij het dwangsombesluit van 7 juli 2016 en verklaarde haar bezwaar niet-ontvankelijk. Voor Alliander stelde de Afdeling vast dat het dwangsombesluit van 14 mei 2012 niet op juiste wijze aan Alliander was bekendgemaakt, waardoor het besluit jegens Alliander niet in werking was getreden.
De Afdeling vernietigde het bestreden besluit, herroept het besluit van 7 juli 2016 en verklaarde het bezwaar van Alliander gegrond. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak benadrukt het belang van correcte bekendmaking van bestuursbesluiten aan alle belanghebbenden.
Uitkomst: Het besluit tot invordering van dwangsommen bij Alliander wordt vernietigd wegens gebrekkige bekendmaking; het bezwaar van Alliander wordt gegrond verklaard en dat van Liander niet-ontvankelijk.